Van teaching quality naar teacher quality

In 2007 werden de basiscompetenties van de beginnende leraar, daterend van 1997, geherformuleerd door de Vlaamse overheid. Lerarenopleidingen worden geacht hun studenten op te leiden tot leraren die zich bekwaam tonen in 10 gedefinieerde functionele gehelen en 8 attitudes. Tegelijk beschikken de lerarenopleidingen over de autonomie om zelf invulling te geven aan hoe de competenties in de praktijk kunnen worden omgezet (Struyven en De Meyst, 2010). Dit leidde tot verschillende interpretaties en toepassingen waarbij de evaluatie van de beheersing van de basiscompetenties maar al te vaak geresulteerd heeft in een haast analytische afvinklijst van doelstellingen die studenten moeten behalen om gediplomeerd te kunnen worden tot ‘leraar’. Dergelijke implementatie heeft geleid tot kritiek op de competency-based lerarenopleidingen omdat deze de complexiteit van leraarschap onderschatten (Ball en Forzani, 2009) .
In antwoord op de kritiek en in een poging om de complexiteit van leraarschap beter tot zijn recht te laten komen hanteren we in onze praktijkcomponent het onderscheid tussen “teaching quality” en “teacher quality” (Darling-Hammond, 2012; Kennedy, 2006).  
In onze uiteenzetting lichten we in de eerste plaats de kenmerken van de leeromgeving voor onze leraren-in-opleiding toe en de wijze waarop de kernpraktijken en basiscompetenties zowel theoretische als praktisch complementair kunnen worden geacht. Via het werken vanuit kernpraktijken (Grossman, Hammerness, McDonald, 2009) op niveau van de klas en van de school worden studenten geconfronteerd met complexe, authentieke situaties en activiteiten uit het dagdagelijkse leven van leraren. De kwaliteit waarmee leraren de kernpraktijken uitvoeren in hun onderwijspraktijk betreft “teaching quality”. Ter ondersteuning bieden we de studenten doorheen hun stage instrumenten aan die hun helpen terug te blikken op hun onderwijspraktijk. Samen met een diepgaande reflectie, leidt deze terugblik de studenten tot inzichten over hun competentie(s) als leraar, of m.a.w. hun “teacher quality”. De studenten denken met andere woorden vanuit een terugblik op hun onderwijspraktijk en via diepgaande reflectie na over wat de gerealiseerde onderwijspraktijk zegt over de ontwikkeling van hun competenties en hun onderliggende interpretatiekader (Kelchtermans, 2001).